Reablement in de praktijk: Interview met Elly Branderhorst over het LAT-programma

Elly Branderhorst is ergotherapeut van oorsprong en werkt als projectleider van reablement in de regio West- en Midden-Brabant. Tijdens haar masteropleiding raakte ze geïnspireerd door het SandinavischeScandinavische model van reablement, wat uiteindelijk leidde tot de ontwikkeling van het programma Langer Actief Thuis (LAT).  

LAT laat zien wat er mogelijk is wanneer eigen regie en zelfstandigheid echt centraal staan. Ongeveer de helft van de deelnemers heeft na afloop van het LAT-traject geen professionele zorg meer nodig.  

Hoe is het programma Langer Actief Thuis (LAT) ontstaan? 

Oorspronkelijk ben ik ergotherapeut en volgde ik de master Neurorevalidatie en Innovatie in Nijmegen. Toen ik literatuuronderzoek deed naar een preventieve aanpak in de ouderenzorg, kwam ik uit bij reablement. Tot die tijd had ik er eigenlijk nog nooit van gehoord. Het lijkt super simpel en ligt wat dat betreft dicht bij ergotherapie, maar dan met interdisciplinaire aanpak, met name uit de Scandinavische landen. Tijdens het kiezen van mijn afstudeerproject ben ik gaan onderzoeken of ik de Scandinavische manier van werken kon vertalen naar de Nederlandse situatie.  

Samen met een team van de wijkverpleging, een ergotherapeut en fysiotherapeut heb ik een opzet gemaakt, vergelijkbaar met de Scandinavische manier van werken. Dat werd Langer Actief Thuis. In een hele korte pilot van 3 maanden zagen we ongeveer hetzelfde gebeuren als wat er in Scandinavië gebeurde. Van de 6 mensen die het programma doorliepen, werden er 4 helemaal zelfstandig en had er een minder hulp nodig. Bij de 6e deelnemer bleef de zorg gelijk. Dat waren mooie resultaten en maakte dat we verder konden gaan met het LAT programma. 

 

Wat heeft je het meest geïnspireerd aan reablement, toen je er voor het eerst van hoorde? 

Het belangrijkste voor mij is dat het uitgangspunt van reablement echt is dat je mensen helpt om de dingen te kunnen doen die belangrijk voor ze zijn. Dat ligt heel dicht bij de kern van ergotherapie. Alleen het mooie bij reablement is dat je samenwerkt met verschillende professionals, maar ook met een sociaal netwerk en met alles en iedereen rondom die persoon.  

Ik zag dat mensen dingen kunnen doen die belangrijk voor ze zijn. Dat kan heel breed zijn, van boodschappen doen, tot bij iemand op de koffie gaan of je jas weer aantrekken. Dat kunnen mensen weer zelf.  

Tegelijkertijd zien we, zonder dat dit het doel is, dat mensen minder professionele zorg nodig hebben. Die combinatie is alleen maar een win-win situatie.  

Reablement wordt veel toegepast in Scandinavische landen, wat kan Nederland hiervan leren? 

We kunnen daar zeker veel van leren, vooral als het gaat om de kern van reablement. Het gaat daarbij om de vraag waar reablement oorspronkelijk voor bedoeld is. En dat we het dus niet inzetten als een soort bezuinigingsmaatregel of wat dan ook. Maar dat we echt aansluiten bij dat wat voor die persoon belangrijk is.  

Wat ze in Scandinavië nog veel beter doen, is dat ze heel wijkgericht werken. Er zijn wijkcentra waar mensen samen komen, hierdoor ontmoeten ze elkaar meer en kunnen ze elkaar ook makkelijker helpen. Dat zou hier in Nederland nog meer kunnen denk ik.  

In Denemarken is reablement in de wet is opgenomen. Het is een verplicht traject wat mensen doorlopen, voordat ze in aanmerking komen voor professionele zorg.  

In Nederland is dit lastiger, omdat de financiering over verschillende domeinen is verspreid. Daardoor wijzen financiers soms naar elkaar, waardoor er uiteindelijk minder kan gebeuren. Ook op dat punt kunnen we nog veel leren van een domeinoverstijgende aanpak. 

Hoe zou u de visie van Mijzo op reablement omschrijven, specifiek in relatie tot het LAT-programma? 

Ik zou zeggen die sluit helemaal aan bij het LAT-programma, maar eigenlijk heeft Mijzo haar visie aangepast. Centraal staat het werken vanuit de bedoeling: zelfredzaamheid van mensen staat voorop. We willen mensen ondersteunen om zo zelfstandig mogelijk te blijven functioneren en waar het kan, een opname in het verpleeghuis te voorkomen. Waar nodig, krijgen mensen natuurlijk de juiste hulp. Tijdens de start en ontwikkeling van LAT werd ook de visie van Mijzo herschreven.  

 

Hoe ziet u de ouderenzorg in de toekomst? 

Ik denk dat ouderen het liefst zo lang mogelijk in hun eigen woning willen blijven wonen. Dus de ouderenzorg steeds meer gaat verplaatsen naar die thuissituatie. Niet omdat er geen verpleeghuizen zijn, maar omdat mensen in hun eigen omgeving willen blijven wonen. Met de mensen om hen heen die belangrijk voor ze zijn. Ik stel mij voor dat we daar de zorg en begeleiding steeds meer rondom gaan organiseren. Dus mensen helpen in hun eigen huis de dingen te kunnen doen en te kunnen blijven doen die belangrijk voor ze zijn.  

Wat kan reablement opleveren voor professionals en cliënten volgens u? 

Voor cliënten levert reablement vooral meer zelfredzaamheid en zelfvertrouwen op. Mensen ervaren dat zij weer in staat zijn om zelf de dingen te doen die voor hen belangrijk zijn. Dat komt doordat professionals naast hen staan en hen ondersteunen met tips en handvatten om activiteiten zelf uit te voeren, in plaats van deze over te nemen. Tegelijkertijd bieden professionals daarbij de veiligheid die nodig is. Cliënten geven ook letterlijk aan dat zij hierdoor meer zelfvertrouwen hebben gekregen. 

Zowel cliënten als professionals geven aan dat de interdisciplinaire samenwerking binnen reablement helpt om een echte omslag in denken te maken: van zorgen vóór naar zorgen dát. Het gaat er niet om dingen over te nemen, maar om mensen te ondersteunen bij wat voor hen belangrijk is. 

De interprofessionele samenwerking speelt hierin een belangrijke rol. Deze samenwerking helpt professionals om vanuit de reablementgedachte met een bredere blik naar de situatie van de cliënt te kijken. Het is daarbij belangrijk om niet alleen te reageren op de directe hulpvraag. Wanneer iemand bijvoorbeeld hulp vraagt bij het douchen, is het waardevol om ook te kijken naar andere activiteiten die voor die persoon belangrijk zijn. Voorheen werkten verschillende professionals ieder vanuit zijn eigen doelen. Nu werken professionals gezamenlijk aan de doelen van de cliënt. 

 

Hoe is LAT geïntroduceerd? Was er sprake van enthousiasme, terughoudendheid of juist weerstand? 

Het allereerste team, de mensen die in de projectgroep zaten, waren heel enthousiast om mee te denken. Met een klein groepje hebben we het programma bedacht en geïntroduceerd bij het hele team. 

Daar zagen we wisselende reacties. Sommige vonden het heel leuk en anderen vonden het spannend. Er werd bijvoorbeeld benoemd dat het zielig zou zijn voor ouderen, omdat ze op termijn geen zorg meer zouden krijgen. Zorgmedewerkers waren gewend om bijvoorbeeld steunkousen aan te trekken en elke dag even bij iemand langs te gaan. De reactie was dan: als mensen dit dadelijk zelf doen, komen wij niet meer en zit iemand de hele week alleen.  

Daarnaast waren er medewerkers die bang waren dat zij op den duur geen werk meer zouden hebben. Het idee leefde: straks is iedereen zelfstandig en hoeven wij niets meer te doen. In die fase was het belangrijk dat een manager hierin betrokken was en dat er ruimte was om zorgen bespreekbaar te maken. 

Toen professionals eenmaal merkten wat deze aanpak opleverde voor cliënten, en zagen dat iemand veel blijer werd wanneer hij of zij zelfstandig werd in plaats van elke dag te moeten wachten op zorg, sloeg dat beeld snel om.  

 

Wat helpt om medewerkers mee te krijgen in deze manier van denken? 

Er zijn altijd verschillende reacties in nieuwe teams, maar over het algemeen ervaren professionals duidelijk de meerwaarde zodra ze zien wat deze aanpak oplevert voor de cliënt. 

Het belangrijkste is denk ik dat professionals het kunnen én mogen doen. In de wijkverpleging is doelmatigheid bijvoorbeeld altijd heel belangrijk: er mag niet te veel tijd aan een cliënt worden besteed. Terwijl je vooraf al weet dat je, wanneer je met deze aanpak begint, in het begin juist iets meer tijd nodig hebt. 

Die tijd verdien je later weer terug. Vaak gaan mensen na een aantal weken al uit de zorg, waardoor die tijd daarna niet meer hoeft te worden ingezet. Aan de voorkant is het dus belangrijk dat professionals hierin gerustgesteld en gefaciliteerd worden. 

Daarnaast helpt het als zij weten dat de cliënt altijd de zorg blijft krijgen die nodig is. Als zelfstandig worden niet lukt, heeft iemand natuurlijk gewoon recht op zorg. Dat vertrouwen helpt professionals om met deze manier van werken aan de slag te gaan. 

 

Wat zijn de belangrijkste verschillen in aanpak en uitvoering, intra- en extramuraal? 

Bij extramuraal is het doel natuurlijk dat iemand zo lang mogelijk in zijn eigen woning kan blijven wonen en daar de dingen kan doen die voor hem of haar belangrijk zijn, zowel om nieuwe activiteiten weer op te pakken als om bestaande activiteiten te blijven doen. 

Bij intramuraal beginnen we meestal op het moment dat iemand naar een van onze locaties verhuist. We kijken dan naar wat diegene thuis nog zelf deed en hoe we ervoor kunnen zorgen dat diegene ook op onze locatie dezelfde dingen kan blijven doen. Als iemand thuis nog zijn kopje koffie zelf zette, onderzoeken we hoe hij dat ook op de locatie kan doen. Zo zorgen we ervoor dat iemand niet automatisch in een koffierondje terechtkomt, zoals dat vroeger vaak gebeurde. 

Vroeger werd alles vaak overgenomen zodra iemand naar een locatie verhuisde, wat leidde tot sneller achteruitgaan.  

Was iemand bijvoorbeeld thuis lid van een biljartvereniging in de buurt, dan zoeken we naar manieren om die activiteit te blijven doen. 

Wat zijn de belangrijkste voorwaarden om reablement succesvol toe te passen? 

Het blijft belangrijk om de focus vast te houden, omdat reablement een echte cultuurverandering vraagt. Als zorgmedewerker ben je gewend om voor mensen te zorgen, terwijl reablement vraagt om anders te werken. Ook binnen interdisciplinaire teams is samenwerken niet altijd vanzelfsprekend, waardoor dit in de praktijk weer gemakkelijk kan afzwakken. Zeker wanneer er veranderingen zijn, zoals een nieuwe manager, nieuwe collega’s of nieuwe behandelaren, is blijvende aandacht nodig om te blijven werken volgens de gemaakte afspraken. 

Interdisciplinair samenwerken vraagt bovendien om meer overlegtijd, vooral in de extramurale setting. We zien nu thuis een doelgroep die we voorheen vooral in het verpleeghuis zagen. Dat betekent dat er meer afstemming nodig is tussen behandelaren en de wijkverpleging. Deze overlegtijd wordt echter niet structureel gefinancierd. De tarieven vanuit de zorgverzekeraar zijn vooral gericht op enkelvoudige zorgvragen en niet op de benodigde overlegtijd bij complexe problematiek. Dat is een belangrijke hobbel waar we tegenaan lopen. 

 

Kun je vertellen welke resultaten het LAT-programma precies heeft opgeleverd? 

Daarbij kijk ik niet alleen naar Mijzo, maar naar de hele regio West-Brabant, waar inmiddels dertien organisaties met LAT werken. Hier is het programma opgenomen in de regionale transitietafels en de actieplannen die daarbij ontwikkeld zijn. Ongeveer de helft van de cliënten is na afloop van het LAT-traject weer volledig zelfstandig. 

Het traject duurt maximaal twaalf weken, maar in de praktijk zien we dat het gemiddeld zeven tot zevenënhalve week duurt. Na afloop hebben mensen per persoon ongeveer anderhalf tot twee uur minder professionele zorg per week nodig. 

Daarnaast geven cliënten zelf aan dat zij zich zelfstandiger en blijer voelen. Dat effect zien we ook bij professionals: doordat zij ervaren wat deze aanpak oplevert voor cliënten, worden zij zelf vaak ook enthousiaster en gemotiveerder. 

 

Kunt u een mooi praktijkvoorbeeld delen waarin reablement binnen uw organisatie een groot verschil heeft gemaakt? 

Een voorbeeld dat mij altijd is bijgebleven, is dat van een mevrouw die een keer was gevallen in de douche. Daardoor was zij bang geworden om zelfstandig te douchen en vroeg zij om hulp. 

Een ander doel dat zij had, was om weer bij mensen op de koffie te kunnen gaan die een paar straten verderop woonden. Dat lukte haar niet goed, omdat zij door schouderklachten moeite had met het aantrekken van haar jas en het op slot draaien van de deur. 

Samen met de fysiotherapeut en de ergotherapeut is zij hiermee aan de slag gegaan. Toen ze merkte dat het haar lukte om weer naar anderen toe te lopen en dat ze daardoor sterker werd en meer energie kreeg, groeide ook haar zelfvertrouwen. Dat zorgde ervoor dat zij uiteindelijk zelf met het idee kwam om het douchen weer zelfstandig te gaan proberen. Na dit met de wijkverpleging te hebben geoefend kon ze dit uiteindelijk  weer zelfstandig.  

 

Welke stap zouden organisaties en zorgprofessionals morgen al kunnen nemen? 

Wat mij betreft zijn er altijd stappen die je morgen al kunt zetten. Als het gaat om reablement, zou ik zeggen: zoek vooral de samenwerking op, binnen de wijk en met iedereen die daar aanwezig is. 

De simpelste eerste stap is om aan de cliënt de vraag te stellen: ‘Wat is voor u nu echt belangrijk om zelf te kunnen doen?’ en daar samen mee aan de slag te gaan. Betrek daar ook andere mensen bij die kunnen helpen; dat kunnen mensen uit het directe netwerk zijn, maar ook andere betrokkenen in de omgeving. 

Voor professionals geldt hetzelfde. Zoek de samenwerking op en stel de vraag aan de persoon zelf wat voor hem of haar belangrijk is om te kunnen doen, naast de hulpvraag die is gesteld. Bijvoorbeeld: naast hulp bij het douchen, wat is er verder nog belangrijk? Wat zou iemand heel graag weer willen kunnen?” 

 

Is er nog iets wat u graag zou willen meegeven rondom reablement? 

Mijn belangrijkste boodschap zou zijn: gewoon doen en klein beginnen. Dat is ook hoe wij het hebben aangepakt. Ik zeg dit omdat veel organisaties meteen heel groot willen starten, met alle teams tegelijk en met samenwerkingen met veel verschillende partijen. Dat maakt het vaak complex, waardoor het lastig van de grond komt. 

Mijn tip is daarom om te beginnen met een klein team en een beperkt aantal professionals die hierbij betrokken zijn, en dit vervolgens stap voor stap uit te bouwen. 

Zoek daarnaast naar enthousiaste mensen binnen je organisatie. Als zij eenmaal begonnen zijn en hun succesverhalen delen, volgt de rest vaak vanzelf. 

Volgende
Volgende

Veilig tillen: alles wat je moet weten over tilliften